Stijn Baert: "In België is dringend een cultuuromslag nodig"


Belgische arbeidsmarkt vs. Nederlandse arbeidsmarkt



Leestijd: 5 minuten


In dit artikel leest u meer over de visie van professor arbeidseconomie Stijn Baert over de verschillen en overeenkomsten van de Belgische en Nederlandse arbeidsmarkt.



Met de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans moet de droom van minister Koolmees, van een grote hervorming van de Nederlandse arbeidsmarkt, in vervulling gaan. Maar is het in werkelijkheid echt zo slecht gesteld met de Nederlandse arbeidsmarkt? “Niet als je het mij vraagt”, antwoordt Stijn Baert, professor arbeidseconomie aan de Universiteit Gent en Universiteit Antwerpen. “In België kunnen we een voorbeeld nemen aan Nederland.”

We spreken Baert op vrijdagmiddag, een moment waarop het in Nederland lastig afspraken maken is. Nederlanders werken veel in deeltijd en vrijdagmiddag is nou typisch zo’n moment dat mensen vrij zijn en alvast genieten van het weekend. Belgen staan daarentegen toch meer bekend als harde en gemotiveerde werkers, die zich focussen op hun job en werk en privé strikt gescheiden houden. Met dat in gedachten, is het toch verrassend om te horen dat België met afgunst kijkt naar de Nederlandse arbeidsmarkt.

Waar is België precies jaloers op en wat zijn de grote verschillen?

Baert: “We zijn vooral jaloers op jullie begrotingsoverschot. Wat jullie te veel hebben, hebben wij te weinig. Nederland hield vorig jaar ruim tien miljard euro over op de begroting en wij stevenen af op een tekort van dezelfde orde. En dat heeft volgens mij alles te maken met het Nederlandse lef om te hervormen. Jullie hebben veel sneller de arbeidsmarkt een ‘shot’ flexibiliteit gegeven en het werken op oudere leeftijd gestimuleerd.” En ook al denken jullie dat polderen iets typisch Nederlands is, wij kunnen er ook wat van. Het probleem is alleen dat wij áchteraf polderen, als we al een conflict of probleem hebben en dan duurt het lang voordat er actie wordt ondernomen. Te lang.”


“De fundering van de Nederlandse arbeidsmarkt is sterker dan de Belgische.”

Dat er meer aan de hand is op de Belgische arbeidsmarkt, wordt duidelijk als Baert ons meeneemt langs de uitdagingen waar onze zuiderburen voor staan.

“Net als in Nederland, hebben we in België te maken met de gevolgen van digitalisering en nieuwe technologieën”, vertelt Baert. “Ook wij hebben daardoor te maken met wervingsproblemen en een tekort aan talent en zullen we moeten investeren in onderwijs. Maar wij hebben nog één probleem extra en dat is het grote aantal inactieven op de Belgische arbeidsmarkt.” In tegenstelling tot werklozen, zijn inactieven niet op zoek naar werk. Dat betekent dat zij ook niet bijdragen aan de economie en aan het sociale stelsel. Nederland kent ook inactieven, maar minder dan in België. “Het gevolg is dat in Nederland veel meer mensen aan het werk zijn in de leeftijdscategorie tussen de 25-64 jaar”, gaat Baert verder. “Zodoende zijn er bij jullie veel meer sterke schouders om de pensioenen en ziekteverzekering te blijven dragen. Kortom, de fundering van de Nederlandse arbeidsmarkt is sterker dan de Belgische.”



“In Nederland wordt werken in deeltijd er met de paplepel ingegoten.”

Heeft Baert een verklaring voor het hoge aantal inactieven in België?
“Ja, die heb ik zeker. Ten eerste loont het in België niet genoeg om te aan het werk te gaan. We moeten dus zorgen dat werken interessanter wordt”, stelt de arbeidseconoom. “Inactieven krijgen in België een uitkering, bouwen vaak pensioen op en ontvangen toeslagen en voordelen die zij (deels) kwijtraken als zij aan het werk gaan. Het verschil tussen een salaris en een uitkering, met alle bijbehorende voordelen, is nu te klein. En hoe langer iemand werkloos is, hoe moeilijker het wordt om weer aan het werk te gaan.” Baert merkt ook op dat werken combineren met andere activiteiten niet zo in het DNA van Belgen zit zoals bij Nederlanders het geval is. “In Nederland wordt deeltijdwerken er met de paplepel ingegoten. Het is heel gewoon dat scholieren en studenten een bijbaan hebben, dat is in België minder het geval. Onder de Belgische inactieven zien we dan ook studenten, maar ook relatief veel huisvrouwen en –mannen, kortgeschoolden en allochtone vrouwen. Mensen die in Nederland veelal wél werkzaam zijn, zij het in deeltijd. En dan komen we meteen bij het punt dat in deeltijd werken in België ook niet gebruikelijk is omdat de kinderopvang lang niet zo flexibel is als in Nederland. Kortom, er is in België dringend een cultuuromslag nodig.”


We zijn erg benieuwd naar de rol van de uitzendbranche op de Belgische arbeidsmarkt. In Nederland speelt de uitzendbranche een belangrijke rol in de opstap naar vast werk. Hoe is dat in België?

Baert: “Zoals gezegd is flexibele arbeid in België, onder meer om voornoemde redenen, eerder uitzondering dan regel. Dus zo gezien is de bijdrage van de uitzendbranche aan het invullen van (vaste) banen minder groot. De afgelopen jaren kwam er wel wat flexibiliteit - en dus kansen voor de uitzendbranche – bij via de zogenaamde ‘flexi-jobs’. Dit zijn mini-banen in de horeca en detailhandel, bedoeld voor gepensioneerden en werknemers die al voor tachtig procent een reguliere baan hebben.” Bijzonder aan de Belgische flexi-job is dat de flexi-jobber het brutoloon netto ontvangt én sociale rechten opbouwt, en dat de werkgever een verlaagd tarief betaalt op het loon van de flexi-jobber. “Er is alleen één probleem met de flexi-job”, merkt Baert op, “en dat is dat deze gecreëerd is voor mensen die al een baan hebben. De flexi-job heeft daardoor dus geen rechtstreeks effect op de werkzaamheidsgraad.”


De werkzaamheidsgraad in België moet omhoog, zoveel is duidelijk. En als het aan Baert ligt door een quid pro quo – beleid, oftewel iets voor iets. Gaat dat lukken?

Baert: “Het officiële regeerakkoord van Jambon I, dat eerder deze maand is vrijgegeven, biedt hoop. Hierin presenteert de regering een jobbonus voor de laagste lonen om zo inactieven te verleiden om aan het werk te gaan. En ook de kinderopvang wordt flexibeler door opvanguren te verruimen en werkenden voorrang te geven. Wat voor mij wel ontbreekt, is het wegnemen van overbodige drempels voor kansengroepen. Neem aanwervingsdiscriminatie: uit een onderzoek van de Universiteit Gent met fictieve sollicitaties blijkt dat vooral ouderen en allochtonen benadeeld worden tijdens het wervingsproces. Praktijktesten, die deze problematiek in kaart brengt en probleemsectoren tot diepgaande zelfregulering dwingt, had het regeerakkoord meer uitgebalanceerd gemaakt. Maar allez, er worden nu goede eerste stappen gezet die op korte termijn te realiseren zijn en hopelijk helpen om ‘het huis recht te zetten’. En wie weet kunnen we dan over een paar jaar, net als Nederland, eindelijk beginnen met de afwerking.”


Stijn Baert is professor arbeidseconomie aan de Universiteit Gent en de Universiteit Antwerpen.