SER: Leven Lang Ontwikkelen is een instrument om de duurzame inzetbaarheid van het personeelsbestand te vergroten



Leestijd: 10 minuten


In dit artikel leest u meer over de visie van SER-voorzitter Mariëtte Hamer over de actie-agenda, de ontwikkelingen op de huidige en toekomstige arbeidsmarkt en de rol van de uitzendbranche bij een Leven Lang Ontwikkelen.



Op verzoek van het kabinet bouwt de Sociaal-Economische Raad (SER) aan een positieve leercultuur, zodat mensen en organisaties zich blijven ontwikkelen en de uitdagingen van de toekomst aankunnen. De actie-agenda een Leven Lang Ontwikkelen (LLO) speelt hierin een centrale rol. P.zine sprak SER-voorzitter Mariëtte Hamer over de actie-agenda, de ontwikkelingen op de huidige en toekomstige arbeidsmarkt en de rol van de uitzendbranche bij een Leven Lang Ontwikkelen.

Met een Leven Lang Ontwikkelen (LLO) wil de SER van 'repareren' naar 'vooruitkijken'. Bij wie ligt volgens u de verantwoordelijkheid voor LLO, de werkgever of werknemer?

“De verantwoordelijkheid voor Leven Lang Ontwikkelen ligt bij meerdere partijen. In het advies ‘Leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan’ heeft de SER aangegeven dat naast werkgevers en werknemers, ook onderwijs en overheden hun verantwoordelijkheden hebben bij blijvende ontwikkeling. Partijen hebben elk hun eigen belangen bij het faciliteren van LLO. Zo is het voor werkgevers van belang dat hun vertrouwde personeelsbestand kan blijven meegroeien met de technologische en organisatorische ontwikkelingen van het bedrijf. Logisch dat werkgevers investeren in de blijvende ontwikkeling van hun medewerkers. Werknemers hebben zelf de verantwoordelijkheid om hun inzetbaarheid op peil te houden; het is hun dagelijks werk, inkomen én toekomst. Werknemers kunnen financieel investeren in hun ontwikkeling, maar ook met tijd en inzet. De overheid heeft er belang bij dat de beroepsbevolking goed inzetbaar blijft, op nationaal niveau maar ook lokaal en regionaal. We zien dat overheden, op alle niveaus, de samenwerking aangaan met het bedrijfsleven, de arbeidsmarktregio en onderwijsinstellingen. Bij laatstgenoemde zien we dat steeds meer opleidingen zinvolle ontwikkeltrajecten bieden voor werkenden en bedrijven, en die passen bij de praktijk en de beschikbare tijd. Denk aan deeltijdopleidingen en modules op de werkvloer. Blijven ontwikkelen is namelijk niet altijd een kwestie van een opleiding volgen, maar ook een kwestie van leren van elkaar door bijvoorbeeld stage te lopen bij andere bedrijfsonderdelen.”


In hoeverre moet de overheid, wat u betreft, werkgevers en werknemers tegemoetkomen en voor hoe lang?

“De overheid heeft er een macro-economisch belang bij dat de beroepsbevolking zich blijft ontwikkelen. Vooral in deze fase, waarin we het Leven Lang Ontwikkelen en de leercultuur stevig neerzetten en stimuleren, speelt de overheid een belangrijke rol. Maar ook na deze fase draagt de overheid volgens de SER de verantwoordelijkheid om de ontwikkeling van mensen mogelijk te maken. De SER heeft geadviseerd om elke Nederlander het recht te geven op een leerrekening: een persoonlijk budget om, ook als je ouder bent en aan het werk, het opleidingsniveau te behalen dat via het reguliere (bekostigd) onderwijs voor jongeren bereikt kan worden. Met het STAP-budget, (stimulans arbeidsmarktpositie) doet de overheid momenteel voor een deel van de arbeidsmarkt ervaring op met dit type ondersteuning.”


De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt - automatisering, digitalisering, verduurzaming - vragen van mensen dat zij breed inzetbaar zijn. De nadruk wordt vaak ook gelegd op de soft skills; lopen we daarmee niet het risico op generiek geschoolde arbeidskrachten?

“Daar ben ik niet zo bang voor. Als ik kijk naar het huidige opleidingenaanbod, zie ik dat er hard gewerkt wordt aan een mooi evenwicht van vakvaardigheden en vakoverstijgende vaardigheden.

Ik onderschrijf het belang van vaardigheden om vandaag, maar ook in de toekomst, mee te kunnen bewegen met de (snelle) ontwikkelingen. Want om je vakvaardigheden up to date te kunnen houden, heb je immers ook vaardigheden nodig. Deze zou ik niet per se willen typeren als ‘soft skills’, voor zover die überhaupt bestaan, maar je moet ze wel ergens opdoen. Net als samenwerken, analyseren, problemen oplossen, digitale technologie en communiceren met klanten en collega’s. Dat moeten we allemaal ook ergens leren.”



“Blijven ontwikkelen is niet altijd een kwestie van een opleiding volgen.”

Is er niet eerst een betere balans op de arbeidsmarkt nodig om LLO tot een succes te maken? En dan vooral een betere waardering van flex, want alle inspanningen ten spijt kiezen werkgevers toch nog vaak voor de goedkoopste krachten. En laten dat nu meestal de flexkrachten zijn waarin ook nog eens het minste geïnvesteerd wordt omdat zij 'toch tijdelijk zijn'.

“Binnen de SER zijn we volop in gesprek over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt; flexibele contracten en andere arbeidsrelaties. Wij zien dat steeds meer werkgevers een andere benadering hebben voor hun variabele capaciteitsvraag in relatie met de stabiliteit en loyaliteit van hun personeelsbestand, de krapte op de arbeidsmarkt en de investeringen die zij doen om het personeel in staat te stellen hun werkzaamheden te verrichten. Concreet betekent dit dat er in recent afgesloten CAO’s bijvoorbeeld afspraken gemaakt zijn over het aandeel flexibele contracten in het personeelsbestand. De balans waarover u spreekt, heeft dus zeker ook de aandacht van sociale partners en is een hele zoektocht. Het stimuleren van LLO wordt daar natuurlijk door beïnvloed, maar het is geen goed idee om erop te wachten. Leven Lang Ontwikkelen is een instrument om de duurzame inzetbaarheid van het personeelsbestand te vergroten. Daarmee is het dus ook een belangrijke factor in de afweging van de personele behoefte en de vraag of meer of minder flexibele contracten gewenst zijn. Hoe dan ook, we moeten vooral doorgaan met het versterken van de leercultuur.”

Hoe kan de uitzendbranche hier een rol in spelen? En dan niet brancheverenigingen als STOOF, maar gewoon de lokale uitzendondernemer?

“Er zijn al uitzendorganisaties die hun verantwoordelijkheid nemen en flexkrachten scholen. Investeren in opleiding en ontwikkeling rendeert voor de werkgever, dat geldt net zo goed voor de uitzendondernemer. Iemand uitzenden die goed voorbereid is op de werkzaamheden, is interessanter dan iemand uitzenden die veel inwerktijd nodig heeft. Of het nu gaat om specifieke vakvaardigheden of vaardigheden om die vakvaardigheden heel snel op te pikken en daarover helder te kunnen communiceren, is dan niet zo’n groot verschil. En, het zijn ook juist de uitzendondernemers die ervaring kunnen opdoen met het bemiddelen voor en organiseren van relevante ontwikkeltrajecten. Uitzendondernemers hebben immers meer dan andere ondernemers, te maken met een voortdurende stroom van personeelsleden. Het loont dan om je te verdiepen in het aanbod, de vraag en het matchen van vraag en aanbod in ontwikkeltrajecten. Ik kan me goed voorstellen dat een uitzendondernemer direct contact onderhoudt met opleiders in de regio. Dat zie ik ook grotere ondernemers doen. Daarmee heb je direct toegang tot het aanbod en de organisatie, en wordt maatwerk makkelijker te organiseren.”


“Ik verwacht niet dat we alle problemen in één aanpak kunnen oplossen.”


Met de komst van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) wordt onder meer het ontslagrecht versoepeld. Zo wordt vast werk minder vast en flexibel werk minder flexibel. Maar wat is het vaste contract dan nog waard? Is Nederland al klaar voor een dergelijke aanpassing, of maakt deze maatregel het hardwerkende mensen onnodig moeilijk?

“Ik wil hier eerst graag een waarneming tegenaan leggen: werkgevers hebben behoefte aan een bepaalde mate van flexibiliteit zodat zij wendbaar zijn en zich aan kunnen passen aan de conjunctuur. Maar, veel werkgevers geven ook aan dat zij werknemers het liefste voor langere tijd aan zich binden en zekerheid willen bieden. Zij voelen zich hierin beperkt door onder meer regels uit het arbeidsrecht. Veel werknemers hebben behoefte aan zekerheid en willen niet worden beconcurreerd op arbeidsvoorwaarden. De Wet arbeidsmarkt in balans belooft te zorgen voor een gelijker speelveld tussen vast en flex. Wat deze Wet arbeidsmarkt in balans betreft, moeten we maar eens zien wat er gaat gebeuren vanaf 1 januari 2020. Het is te makkelijk om van tevoren een wet de hemel of het graf in te prijzen. Want ook van voorgaande wetten in dit domein bleken de indirecte effecten lastig in te schatten. De SER volgt de ontwikkelingen natuurlijk nauwgezet en we kijken uit naar het rapport van de commissie Regulering van werk.”


Tot slot, wat vindt u van de gevolgen van het huidige leenstelsel? Hoe past een hoge studieschuld bij investeren in jezelf volgens LLO? Voor veel afgestudeerden is het moeilijk genoeg om een goede (vaste) baan te vinden, uiteindelijk een huis te kopen en te bouwen aan een toekomst. Veel van hen starten dan ook met een financiële achterstand; hoe moeten zij zich blijven ontwikkelen? Ziet u een mogelijkheid om al deze dingen samen aan te pakken?

“Eind augustus heeft het Jongerenplatform van de SER een verkenning uitgebracht over de situatie waarin jongeren aan het begin van hun loopbaan en volwassen leven staan. Deze verkenning, ‘Hoge verwachtingen: Kansen en belemmeringen voor jongeren in 2019', heeft heel wat teweeggebracht binnen het kabinet, in de Tweede Kamer, in de media en binnen de geledingen van de SER. Het Jongerenplatform heeft in ieder geval brede maatschappelijk aandacht voor de problematiek losgetrokken, maar we hebben nog lang niet op alle aspecten van de gesignaleerde knelpunten antwoorden. Wel heeft het kabinet toegezegd te onderzoeken hoe toekomstige wet- en regelgeving getoetst kan worden op de impact op verschillende generaties.”


Gelukkig zit er heel veel positieve energie en doorzettingsvermogen in onze jonge generaties, dat zullen we nog hard nodig hebben.”

“Het Jongerenplatform is ook begonnen met het verkennen van verschillende deelaspecten en daar in de toekomst op te gaan adviseren. Een van de onderdelen is inderdaad de gevolgen van het sociaal leenstelsel voor jongeren tijdens hun studie en voor de vervolgstappen in hun leven. Ook zal worden nagedacht over mogelijke alternatieven. Ik verwacht niet dat we alle problemen in één aanpak kunnen oplossen. Wel weet ik dat we de toekomst serieus moeten nemen, in ieder geval met meer aandacht dan in jaren die achter ons liggen. De jongeren hebben daar zelf de klok voor moeten luiden en dat zegt eigenlijk al genoeg. Gelukkig zit er heel veel positieve energie en doorzettingsvermogen in onze jonge generaties, dat zullen zij én wij nog hard nodig hebben.”